verontreinigen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of verontreinigen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: verontreinigen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: verontreinigend
Past participle - Verleden deelwoord: verontreinigd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikverontreinig
jijverontreinigt
hijverontreinigt
wijverontreinigen
jullieverontreinigen
zijverontreinigen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb verontreinigd
jijhebt verontreinigd
hijheeft verontreinigd
wijhebben verontreinigd
julliehebben verontreinigd
zijhebben verontreinigd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikverontreinigde
jijverontreinigde
hijverontreinigde
wijverontreinigden
jullieverontreinigden
zijverontreinigden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad verontreinigd
jijhad verontreinigd
hijhad verontreinigd
wijhadden verontreinigd
julliehadden verontreinigd
zijhadden verontreinigd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal verontreinigen
jijzult verontreinigen
hijzal verontreinigen
wijzullen verontreinigen
julliezullen verontreinigen
zijzullen verontreinigen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal verontreinigd hebben
jijzult verontreinigd hebben
hijzal verontreinigd hebben
wijzullen verontreinigd hebben
julliezullen verontreinigd hebben
zijzullen verontreinigd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou verontreinigen
jijzou verontreinigen
hijzou verontreinigen
wijzouden verontreinigen
julliezouden verontreinigen
zijzouden verontreinigen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou verontreinigd hebben
jijzou verontreinigd hebben
hijzou verontreinigd hebben
wijzouden verontreinigd hebben
julliezouden verontreinigd hebben
zijzouden verontreinigd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijverontreinig

Translations

  • defile, to make impure or dirty
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    besmeuren
    beduimelen, bevlekken, bevuilen, bezoedelen
    vuilmaken
    beduimelen, bekladden, besmeuren, morsen

    Sample Sentences

    Etymology

    From ver- + ont- + reinigen, modifying Middle Dutch ontreinen.

    Additional Information