urmen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of urmen

The word "urmen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: urmen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: urmend
Past participle - Verleden deelwoord: geürmd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikurm
jijurmt
hijurmt
wijurmen
jullieurmen
zijurmen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geürmd
jijhebt geürmd
hijheeft geürmd
wijhebben geürmd
julliehebben geürmd
zijhebben geürmd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikurmde
jijurmde
hijurmde
wijurmden
jullieurmden
zijurmden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geürmd
jijhad geürmd
hijhad geürmd
wijhadden geürmd
julliehadden geürmd
zijhadden geürmd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal urmen
jijzult urmen
hijzal urmen
wijzullen urmen
julliezullen urmen
zijzullen urmen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geürmd hebben
jijzult geürmd hebben
hijzal geürmd hebben
wijzullen geürmd hebben
julliezullen geürmd hebben
zijzullen geürmd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou urmen
jijzou urmen
hijzou urmen
wijzouden urmen
julliezouden urmen
zijzouden urmen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geürmd hebben
jijzou geürmd hebben
hijzou geürmd hebben
wijzouden geürmd hebben
julliezouden geürmd hebben
zijzouden geürmd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijurm

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information