uitwerken – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of uitwerken

The word "uitwerken" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: uitwerken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: uitwerkend
Past participle - Verleden deelwoord: uitgewerkt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikwerk uit
jijwerkt uit
hijwerkt uit
wijwerken uit
julliewerken uit
zijwerken uit

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb uitgewerkt
jijhebt uitgewerkt
hijheeft uitgewerkt
wijhebben uitgewerkt
julliehebben uitgewerkt
zijhebben uitgewerkt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikwerkte uit
jijwerkte uit
hijwerkte uit
wijwerkten uit
julliewerkten uit
zijwerkten uit

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad uitgewerkt
jijhad uitgewerkt
hijhad uitgewerkt
wijhadden uitgewerkt
julliehadden uitgewerkt
zijhadden uitgewerkt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal uitwerken
jijzult uitwerken
hijzal uitwerken
wijzullen uitwerken
julliezullen uitwerken
zijzullen uitwerken

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal uitgewerkt hebben
jijzult uitgewerkt hebben
hijzal uitgewerkt hebben
wijzullen uitgewerkt hebben
julliezullen uitgewerkt hebben
zijzullen uitgewerkt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou uitwerken
jijzou uitwerken
hijzou uitwerken
wijzouden uitwerken
julliezouden uitwerken
zijzouden uitwerken

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou uitgewerkt hebben
jijzou uitgewerkt hebben
hijzou uitgewerkt hebben
wijzouden uitgewerkt hebben
julliezouden uitgewerkt hebben
zijzouden uitgewerkt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijwerk uit

Verbs similar to 'uitwerken'

Translations

  • calculate, (''transitive'') to determine the value or solution of sth.
  • calculate, (''intransitive'') to determine values or solutions
  • calculate, (''intransitive'') plan
  • expand, (transitive) to express at length or in detail
  • foil, to expand a product of two or more algebraic expressions, typically binomials
  • implement, bring about
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From uit (“out”) + werken (“to work”).

    Additional Information