trompetten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of trompetten

The word "trompetten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: trompetten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: trompettend
Past participle - Verleden deelwoord: getrompet

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktrompet
jijtrompet
hijtrompet
wijtrompetten
jullietrompetten
zijtrompetten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getrompet
jijhebt getrompet
hijheeft getrompet
wijhebben getrompet
julliehebben getrompet
zijhebben getrompet

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktrompette
jijtrompette
hijtrompette
wijtrompetten
jullietrompetten
zijtrompetten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getrompet
jijhad getrompet
hijhad getrompet
wijhadden getrompet
julliehadden getrompet
zijhadden getrompet

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal trompetten
jijzult trompetten
hijzal trompetten
wijzullen trompetten
julliezullen trompetten
zijzullen trompetten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getrompet hebben
jijzult getrompet hebben
hijzal getrompet hebben
wijzullen getrompet hebben
julliezullen getrompet hebben
zijzullen getrompet hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou trompetten
jijzou trompetten
hijzou trompetten
wijzouden trompetten
julliezouden trompetten
zijzouden trompetten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getrompet hebben
jijzou getrompet hebben
hijzou getrompet hebben
wijzouden getrompet hebben
julliezouden getrompet hebben
zijzouden getrompet hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtrompet

Verbs similar to 'trompetten'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information