toevertrouwen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of toevertrouwen

The word "toevertrouwen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: toevertrouwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: toevertrouwend
Past participle - Verleden deelwoord: toevertrouwd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvertrouw toe
jijvertrouwt toe
hijvertrouwt toe
wijvertrouwen toe
jullievertrouwen toe
zijvertrouwen toe

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb toevertrouwd
jijhebt toevertrouwd
hijheeft toevertrouwd
wijhebben toevertrouwd
julliehebben toevertrouwd
zijhebben toevertrouwd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvertrouwde toe
jijvertrouwde toe
hijvertrouwde toe
wijvertrouwden toe
jullievertrouwden toe
zijvertrouwden toe

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad toevertrouwd
jijhad toevertrouwd
hijhad toevertrouwd
wijhadden toevertrouwd
julliehadden toevertrouwd
zijhadden toevertrouwd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal toevertrouwen
jijzult toevertrouwen
hijzal toevertrouwen
wijzullen toevertrouwen
julliezullen toevertrouwen
zijzullen toevertrouwen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal toevertrouwd hebben
jijzult toevertrouwd hebben
hijzal toevertrouwd hebben
wijzullen toevertrouwd hebben
julliezullen toevertrouwd hebben
zijzullen toevertrouwd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou toevertrouwen
jijzou toevertrouwen
hijzou toevertrouwen
wijzouden toevertrouwen
julliezouden toevertrouwen
zijzouden toevertrouwen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou toevertrouwd hebben
jijzou toevertrouwd hebben
hijzou toevertrouwd hebben
wijzouden toevertrouwd hebben
julliezouden toevertrouwd hebben
zijzouden toevertrouwd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvertrouw toe

Translations

  • commit, to entrust; to consign
  • confide, intransitive: to take (someone) into one's confidence
  • entrust, To trust to the care of
  • unload, confide in someone
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Ze vertrouwde haar geheimen toe aan haar beste vriendin. (She entrusted her secrets to her best friend.)

    Etymology

    From toe + vertrouwen.

    Additional Information