takelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of takelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: takelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: takelend
Past participle - Verleden deelwoord: getakeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iktakel
jijtakelt
hijtakelt
wijtakelen
jullietakelen
zijtakelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb getakeld
jijhebt getakeld
hijheeft getakeld
wijhebben getakeld
julliehebben getakeld
zijhebben getakeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iktakelde
jijtakelde
hijtakelde
wijtakelden
jullietakelden
zijtakelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad getakeld
jijhad getakeld
hijhad getakeld
wijhadden getakeld
julliehadden getakeld
zijhadden getakeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal takelen
jijzult takelen
hijzal takelen
wijzullen takelen
julliezullen takelen
zijzullen takelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal getakeld hebben
jijzult getakeld hebben
hijzal getakeld hebben
wijzullen getakeld hebben
julliezullen getakeld hebben
zijzullen getakeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou takelen
jijzou takelen
hijzou takelen
wijzouden takelen
julliezouden takelen
zijzouden takelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou getakeld hebben
jijzou getakeld hebben
hijzou getakeld hebben
wijzouden getakeld hebben
julliezouden getakeld hebben
zijzouden getakeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijtakel

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From takel + -en.

Additional Information