stuiten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stuiten

The word "stuiten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stuiten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stuitend
Past participle - Verleden deelwoord: gestuit

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstuit
jijstuit
hijstuit
wijstuiten
julliestuiten
zijstuiten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestuit
jijhebt gestuit
hijheeft gestuit
wijhebben gestuit
julliehebben gestuit
zijhebben gestuit

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstuitte
jijstuitte
hijstuitte
wijstuitten
julliestuitten
zijstuitten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestuit
jijhad gestuit
hijhad gestuit
wijhadden gestuit
julliehadden gestuit
zijhadden gestuit

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stuiten
jijzult stuiten
hijzal stuiten
wijzullen stuiten
julliezullen stuiten
zijzullen stuiten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestuit hebben
jijzult gestuit hebben
hijzal gestuit hebben
wijzullen gestuit hebben
julliezullen gestuit hebben
zijzullen gestuit hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stuiten
jijzou stuiten
hijzou stuiten
wijzouden stuiten
julliezouden stuiten
zijzouden stuiten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestuit hebben
jijzou gestuit hebben
hijzou gestuit hebben
wijzouden gestuit hebben
julliezouden gestuit hebben
zijzouden gestuit hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstuit

Verbs similar to 'stuiten'

Translations

  • arrest, to stop or slow a process etc.
  • encounter, meet (someone) or find (something), especially unexpectedly
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Verbs referencing "stuiten"

    German, old spelling stutzen.

    Additional Information