stameren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of stameren

The word "stameren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: stameren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: stamerend
Past participle - Verleden deelwoord: gestameerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikstameer
jijstameert
hijstameert
wijstameren
julliestameren
zijstameren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gestameerd
jijhebt gestameerd
hijheeft gestameerd
wijhebben gestameerd
julliehebben gestameerd
zijhebben gestameerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikstameerde
jijstameerde
hijstameerde
wijstameerden
julliestameerden
zijstameerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gestameerd
jijhad gestameerd
hijhad gestameerd
wijhadden gestameerd
julliehadden gestameerd
zijhadden gestameerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal stameren
jijzult stameren
hijzal stameren
wijzullen stameren
julliezullen stameren
zijzullen stameren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gestameerd hebben
jijzult gestameerd hebben
hijzal gestameerd hebben
wijzullen gestameerd hebben
julliezullen gestameerd hebben
zijzullen gestameerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou stameren
jijzou stameren
hijzou stameren
wijzouden stameren
julliezouden stameren
zijzouden stameren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gestameerd hebben
jijzou gestameerd hebben
hijzou gestameerd hebben
wijzouden gestameerd hebben
julliezouden gestameerd hebben
zijzouden gestameerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijstameer

Verbs similar to 'stameren'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "stameren"

English stammer, German, old spelling stammeln.

Additional Information