sprengen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of sprengen

The word "sprengen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: sprengen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: sprengend
Past participle - Verleden deelwoord: gesprengd

Cognates

See the 4 cognates of sprengen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikspreng
jijsprengt
hijsprengt
wijsprengen
julliesprengen
zijsprengen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gesprengd
jijhebt gesprengd
hijheeft gesprengd
wijhebben gesprengd
julliehebben gesprengd
zijhebben gesprengd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksprengde
jijsprengde
hijsprengde
wijsprengden
julliesprengden
zijsprengden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gesprengd
jijhad gesprengd
hijhad gesprengd
wijhadden gesprengd
julliehadden gesprengd
zijhadden gesprengd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal sprengen
jijzult sprengen
hijzal sprengen
wijzullen sprengen
julliezullen sprengen
zijzullen sprengen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gesprengd hebben
jijzult gesprengd hebben
hijzal gesprengd hebben
wijzullen gesprengd hebben
julliezullen gesprengd hebben
zijzullen gesprengd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou sprengen
jijzou sprengen
hijzou sprengen
wijzouden sprengen
julliezouden sprengen
zijzouden sprengen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gesprengd hebben
jijzou gesprengd hebben
hijzou gesprengd hebben
wijzouden gesprengd hebben
julliezouden gesprengd hebben
zijzouden gesprengd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijspreng

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "sprengen"

Alemannic German sprengge.

Additional Information