shockeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of shockeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: shockeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: shockerend
Past participle - Verleden deelwoord: geshockeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikshockeer
jijshockeert
hijshockeert
wijshockeren
jullieshockeren
zijshockeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geshockeerd
jijhebt geshockeerd
hijheeft geshockeerd
wijhebben geshockeerd
julliehebben geshockeerd
zijhebben geshockeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikshockeerde
jijshockeerde
hijshockeerde
wijshockeerden
jullieshockeerden
zijshockeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geshockeerd
jijhad geshockeerd
hijhad geshockeerd
wijhadden geshockeerd
julliehadden geshockeerd
zijhadden geshockeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal shockeren
jijzult shockeren
hijzal shockeren
wijzullen shockeren
julliezullen shockeren
zijzullen shockeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geshockeerd hebben
jijzult geshockeerd hebben
hijzal geshockeerd hebben
wijzullen geshockeerd hebben
julliezullen geshockeerd hebben
zijzullen geshockeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou shockeren
jijzou shockeren
hijzou shockeren
wijzouden shockeren
julliezouden shockeren
zijzouden shockeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geshockeerd hebben
jijzou geshockeerd hebben
hijzou geshockeerd hebben
wijzouden geshockeerd hebben
julliezouden geshockeerd hebben
zijzouden geshockeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijshockeer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information