scholen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of scholen

The word "scholen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: scholen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: scholend
Past participle - Verleden deelwoord: geschoold

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschool
jijschoolt
hijschoolt
wijscholen
julliescholen
zijscholen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschoold
jijhebt geschoold
hijheeft geschoold
wijhebben geschoold
julliehebben geschoold
zijhebben geschoold

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschoolde
jijschoolde
hijschoolde
wijschoolden
jullieschoolden
zijschoolden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschoold
jijhad geschoold
hijhad geschoold
wijhadden geschoold
julliehadden geschoold
zijhadden geschoold

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal scholen
jijzult scholen
hijzal scholen
wijzullen scholen
julliezullen scholen
zijzullen scholen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschoold hebben
jijzult geschoold hebben
hijzal geschoold hebben
wijzullen geschoold hebben
julliezullen geschoold hebben
zijzullen geschoold hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou scholen
jijzou scholen
hijzou scholen
wijzouden scholen
julliezouden scholen
zijzouden scholen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschoold hebben
jijzou geschoold hebben
hijzou geschoold hebben
wijzouden geschoold hebben
julliezouden geschoold hebben
zijzouden geschoold hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschool

Verbs similar to 'scholen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From school (“organized teaching”), from Latin schola.

Additional Information