Infinitive - Onbepaalde wijs: schimmeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schimmerend
Past participle - Verleden deelwoord: geschimmeerd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | schimmeer |
| jij | schimmeert |
| hij | schimmeert |
| wij | schimmeren |
| jullie | schimmeren |
| zij | schimmeren |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb geschimmeerd |
| jij | hebt geschimmeerd |
| hij | heeft geschimmeerd |
| wij | hebben geschimmeerd |
| jullie | hebben geschimmeerd |
| zij | hebben geschimmeerd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | schimmeerde |
| jij | schimmeerde |
| hij | schimmeerde |
| wij | schimmeerden |
| jullie | schimmeerden |
| zij | schimmeerden |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had geschimmeerd |
| jij | had geschimmeerd |
| hij | had geschimmeerd |
| wij | hadden geschimmeerd |
| jullie | hadden geschimmeerd |
| zij | hadden geschimmeerd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal schimmeren |
| jij | zult schimmeren |
| hij | zal schimmeren |
| wij | zullen schimmeren |
| jullie | zullen schimmeren |
| zij | zullen schimmeren |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal geschimmeerd hebben |
| jij | zult geschimmeerd hebben |
| hij | zal geschimmeerd hebben |
| wij | zullen geschimmeerd hebben |
| jullie | zullen geschimmeerd hebben |
| zij | zullen geschimmeerd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou schimmeren |
| jij | zou schimmeren |
| hij | zou schimmeren |
| wij | zouden schimmeren |
| jullie | zouden schimmeren |
| zij | zouden schimmeren |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou geschimmeerd hebben |
| jij | zou geschimmeerd hebben |
| hij | zou geschimmeerd hebben |
| wij | zouden geschimmeerd hebben |
| jullie | zouden geschimmeerd hebben |
| zij | zouden geschimmeerd hebben |
| jij | schimmeer |