schimmeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of schimmeren

The word "schimmeren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: schimmeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: schimmerend
Past participle - Verleden deelwoord: geschimmeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschimmeer
jijschimmeert
hijschimmeert
wijschimmeren
jullieschimmeren
zijschimmeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geschimmeerd
jijhebt geschimmeerd
hijheeft geschimmeerd
wijhebben geschimmeerd
julliehebben geschimmeerd
zijhebben geschimmeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschimmeerde
jijschimmeerde
hijschimmeerde
wijschimmeerden
jullieschimmeerden
zijschimmeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geschimmeerd
jijhad geschimmeerd
hijhad geschimmeerd
wijhadden geschimmeerd
julliehadden geschimmeerd
zijhadden geschimmeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal schimmeren
jijzult schimmeren
hijzal schimmeren
wijzullen schimmeren
julliezullen schimmeren
zijzullen schimmeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geschimmeerd hebben
jijzult geschimmeerd hebben
hijzal geschimmeerd hebben
wijzullen geschimmeerd hebben
julliezullen geschimmeerd hebben
zijzullen geschimmeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou schimmeren
jijzou schimmeren
hijzou schimmeren
wijzouden schimmeren
julliezouden schimmeren
zijzouden schimmeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geschimmeerd hebben
jijzou geschimmeerd hebben
hijzou geschimmeerd hebben
wijzouden geschimmeerd hebben
julliezouden geschimmeerd hebben
zijzouden geschimmeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschimmeer

Verbs similar to 'schimmeren'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information