samenvoegen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of samenvoegen

The word "samenvoegen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: samenvoegen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: samenvoegend
Past participle - Verleden deelwoord: samengevoegd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvoeg samen
jijvoegt samen
hijvoegt samen
wijvoegen samen
jullievoegen samen
zijvoegen samen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb samengevoegd
jijhebt samengevoegd
hijheeft samengevoegd
wijhebben samengevoegd
julliehebben samengevoegd
zijhebben samengevoegd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvoegde samen
jijvoegde samen
hijvoegde samen
wijvoegden samen
jullievoegden samen
zijvoegden samen

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad samengevoegd
jijhad samengevoegd
hijhad samengevoegd
wijhadden samengevoegd
julliehadden samengevoegd
zijhadden samengevoegd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal samenvoegen
jijzult samenvoegen
hijzal samenvoegen
wijzullen samenvoegen
julliezullen samenvoegen
zijzullen samenvoegen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal samengevoegd hebben
jijzult samengevoegd hebben
hijzal samengevoegd hebben
wijzullen samengevoegd hebben
julliezullen samengevoegd hebben
zijzullen samengevoegd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou samenvoegen
jijzou samenvoegen
hijzou samenvoegen
wijzouden samenvoegen
julliezouden samenvoegen
zijzouden samenvoegen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou samengevoegd hebben
jijzou samengevoegd hebben
hijzou samengevoegd hebben
wijzouden samengevoegd hebben
julliezouden samengevoegd hebben
zijzouden samengevoegd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvoeg samen

Translations

  • aggregate, To bring together; to collect into a mass or sum
  • conflate, fuse into a single entity
  • elide, to conflate
  • join, to combine more than one item into one; to put together
  • merge, (transitive) to combine into a whole
  • weld, to bind, unite
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From samen (“together”) + voegen (“to place”).

    Additional Information