routeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of routeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: routeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: routerend
Past participle - Verleden deelwoord: gerouteerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikrouteer
jijrouteert
hijrouteert
wijrouteren
jullierouteren
zijrouteren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gerouteerd
jijhebt gerouteerd
hijheeft gerouteerd
wijhebben gerouteerd
julliehebben gerouteerd
zijhebben gerouteerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikrouteerde
jijrouteerde
hijrouteerde
wijrouteerden
jullierouteerden
zijrouteerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gerouteerd
jijhad gerouteerd
hijhad gerouteerd
wijhadden gerouteerd
julliehadden gerouteerd
zijhadden gerouteerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal routeren
jijzult routeren
hijzal routeren
wijzullen routeren
julliezullen routeren
zijzullen routeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gerouteerd hebben
jijzult gerouteerd hebben
hijzal gerouteerd hebben
wijzullen gerouteerd hebben
julliezullen gerouteerd hebben
zijzullen gerouteerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou routeren
jijzou routeren
hijzou routeren
wijzouden routeren
julliezouden routeren
zijzouden routeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gerouteerd hebben
jijzou gerouteerd hebben
hijzou gerouteerd hebben
wijzouden gerouteerd hebben
julliezouden gerouteerd hebben
zijzouden gerouteerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijrouteer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information