roddelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of roddelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: roddelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: roddelend
Past participle - Verleden deelwoord: geroddeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikroddel
jijroddelt
hijroddelt
wijroddelen
jullieroddelen
zijroddelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geroddeld
jijhebt geroddeld
hijheeft geroddeld
wijhebben geroddeld
julliehebben geroddeld
zijhebben geroddeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikroddelde
jijroddelde
hijroddelde
wijroddelden
jullieroddelden
zijroddelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geroddeld
jijhad geroddeld
hijhad geroddeld
wijhadden geroddeld
julliehadden geroddeld
zijhadden geroddeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal roddelen
jijzult roddelen
hijzal roddelen
wijzullen roddelen
julliezullen roddelen
zijzullen roddelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geroddeld hebben
jijzult geroddeld hebben
hijzal geroddeld hebben
wijzullen geroddeld hebben
julliezullen geroddeld hebben
zijzullen geroddeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou roddelen
jijzou roddelen
hijzou roddelen
wijzouden roddelen
julliezouden roddelen
zijzouden roddelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geroddeld hebben
jijzou geroddeld hebben
hijzou geroddeld hebben
wijzouden geroddeld hebben
julliezouden geroddeld hebben
zijzouden geroddeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijroddel

Translations

  • gossip, to talk about someone else's private or personal business
  • kibitz, chit-chat
  • tattle, to report incriminating information or wrongdoing
  • Synonyms & Antonyms

    Synonyms

    kletsen
    kwaadspreken
    lasteren
    bekladden, kwaadspreken

    Sample Sentences

    Etymology

    Additional Information