pushen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of pushen

The word "pushen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: pushen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pushend
Past participle - Verleden deelwoord: gepushd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpush
jijpusht
hijpusht
wijpushen
julliepushen
zijpushen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepushd
jijhebt gepushd
hijheeft gepushd
wijhebben gepushd
julliehebben gepushd
zijhebben gepushd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpushde
jijpushde
hijpushde
wijpushden
julliepushden
zijpushden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepushd
jijhad gepushd
hijhad gepushd
wijhadden gepushd
julliehadden gepushd
zijhadden gepushd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal pushen
jijzult pushen
hijzal pushen
wijzullen pushen
julliezullen pushen
zijzullen pushen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepushd hebben
jijzult gepushd hebben
hijzal gepushd hebben
wijzullen gepushd hebben
julliezullen gepushd hebben
zijzullen gepushd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou pushen
jijzou pushen
hijzou pushen
wijzouden pushen
julliezouden pushen
zijzouden pushen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepushd hebben
jijzou gepushd hebben
hijzou gepushd hebben
wijzouden gepushd hebben
julliezouden gepushd hebben
zijzouden gepushd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpush

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English push. See: English 'push'.

Additional Information