protocolleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of protocolleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: protocolleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: protocollerend
Past participle - Verleden deelwoord: geprotocolleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikprotocolleer
jijprotocolleert
hijprotocolleert
wijprotocolleren
jullieprotocolleren
zijprotocolleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geprotocolleerd
jijhebt geprotocolleerd
hijheeft geprotocolleerd
wijhebben geprotocolleerd
julliehebben geprotocolleerd
zijhebben geprotocolleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikprotocolleerde
jijprotocolleerde
hijprotocolleerde
wijprotocolleerden
jullieprotocolleerden
zijprotocolleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geprotocolleerd
jijhad geprotocolleerd
hijhad geprotocolleerd
wijhadden geprotocolleerd
julliehadden geprotocolleerd
zijhadden geprotocolleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal protocolleren
jijzult protocolleren
hijzal protocolleren
wijzullen protocolleren
julliezullen protocolleren
zijzullen protocolleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geprotocolleerd hebben
jijzult geprotocolleerd hebben
hijzal geprotocolleerd hebben
wijzullen geprotocolleerd hebben
julliezullen geprotocolleerd hebben
zijzullen geprotocolleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou protocolleren
jijzou protocolleren
hijzou protocolleren
wijzouden protocolleren
julliezouden protocolleren
zijzouden protocolleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geprotocolleerd hebben
jijzou geprotocolleerd hebben
hijzou geprotocolleerd hebben
wijzouden geprotocolleerd hebben
julliezouden geprotocolleerd hebben
zijzouden geprotocolleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijprotocolleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information