prederen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of prederen

The word "prederen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: prederen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: prederend
Past participle - Verleden deelwoord: gepredeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpredeer
jijpredeert
hijpredeert
wijprederen
jullieprederen
zijprederen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepredeerd
jijhebt gepredeerd
hijheeft gepredeerd
wijhebben gepredeerd
julliehebben gepredeerd
zijhebben gepredeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpredeerde
jijpredeerde
hijpredeerde
wijpredeerden
julliepredeerden
zijpredeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepredeerd
jijhad gepredeerd
hijhad gepredeerd
wijhadden gepredeerd
julliehadden gepredeerd
zijhadden gepredeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal prederen
jijzult prederen
hijzal prederen
wijzullen prederen
julliezullen prederen
zijzullen prederen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepredeerd hebben
jijzult gepredeerd hebben
hijzal gepredeerd hebben
wijzullen gepredeerd hebben
julliezullen gepredeerd hebben
zijzullen gepredeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou prederen
jijzou prederen
hijzou prederen
wijzouden prederen
julliezouden prederen
zijzouden prederen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepredeerd hebben
jijzou gepredeerd hebben
hijzou gepredeerd hebben
wijzouden gepredeerd hebben
julliezouden gepredeerd hebben
zijzouden gepredeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpredeer

Verbs similar to 'prederen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Likely from English predate, reformed with the suffix -eren. See: English 'predate'.

Additional Information