praaien – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of praaien

The word "praaien" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: praaien
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: praaiend
Past participle - Verleden deelwoord: gepraaid

Cognates

See the 4 cognates of praaien

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikpraai
jijpraait
hijpraait
wijpraaien
julliepraaien
zijpraaien

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gepraaid
jijhebt gepraaid
hijheeft gepraaid
wijhebben gepraaid
julliehebben gepraaid
zijhebben gepraaid

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikpraaide
jijpraaide
hijpraaide
wijpraaiden
julliepraaiden
zijpraaiden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gepraaid
jijhad gepraaid
hijhad gepraaid
wijhadden gepraaid
julliehadden gepraaid
zijhadden gepraaid

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal praaien
jijzult praaien
hijzal praaien
wijzullen praaien
julliezullen praaien
zijzullen praaien

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gepraaid hebben
jijzult gepraaid hebben
hijzal gepraaid hebben
wijzullen gepraaid hebben
julliezullen gepraaid hebben
zijzullen gepraaid hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou praaien
jijzou praaien
hijzou praaien
wijzouden praaien
julliezouden praaien
zijzouden praaien

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gepraaid hebben
jijzou gepraaid hebben
hijzou gepraaid hebben
wijzouden gepraaid hebben
julliezouden gepraaid hebben
zijzouden gepraaid hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijpraai

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "praaien"

Swedish preja.

Additional Information