Infinitive - Onbepaalde wijs: pluimstrijken
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: pluimstrijkend
Past participle - Verleden deelwoord: gepluimstrijkt
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | pluimstrijk |
| jij | pluimstrijkt |
| hij | pluimstrijkt |
| wij | pluimstrijken |
| jullie | pluimstrijken |
| zij | pluimstrijken |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb gepluimstrijkt |
| jij | hebt gepluimstrijkt |
| hij | heeft gepluimstrijkt |
| wij | hebben gepluimstrijkt |
| jullie | hebben gepluimstrijkt |
| zij | hebben gepluimstrijkt |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | pluimstrijkte |
| jij | pluimstrijkte |
| hij | pluimstrijkte |
| wij | pluimstrijkten |
| jullie | pluimstrijkten |
| zij | pluimstrijkten |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had gepluimstrijkt |
| jij | had gepluimstrijkt |
| hij | had gepluimstrijkt |
| wij | hadden gepluimstrijkt |
| jullie | hadden gepluimstrijkt |
| zij | hadden gepluimstrijkt |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal pluimstrijken |
| jij | zult pluimstrijken |
| hij | zal pluimstrijken |
| wij | zullen pluimstrijken |
| jullie | zullen pluimstrijken |
| zij | zullen pluimstrijken |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal gepluimstrijkt hebben |
| jij | zult gepluimstrijkt hebben |
| hij | zal gepluimstrijkt hebben |
| wij | zullen gepluimstrijkt hebben |
| jullie | zullen gepluimstrijkt hebben |
| zij | zullen gepluimstrijkt hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou pluimstrijken |
| jij | zou pluimstrijken |
| hij | zou pluimstrijken |
| wij | zouden pluimstrijken |
| jullie | zouden pluimstrijken |
| zij | zouden pluimstrijken |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou gepluimstrijkt hebben |
| jij | zou gepluimstrijkt hebben |
| hij | zou gepluimstrijkt hebben |
| wij | zouden gepluimstrijkt hebben |
| jullie | zouden gepluimstrijkt hebben |
| zij | zouden gepluimstrijkt hebben |
| jij | pluimstrijk |