opsluiten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opsluiten

The word "opsluiten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opsluiten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opsluitend
Past participle - Verleden deelwoord: opgesluit

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksluit op
jijsluit op
hijsluit op
wijsluiten op
julliesluiten op
zijsluiten op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgesluit
jijhebt opgesluit
hijheeft opgesluit
wijhebben opgesluit
julliehebben opgesluit
zijhebben opgesluit

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksluitte op
jijsluitte op
hijsluitte op
wijsluitten op
julliesluitten op
zijsluitten op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgesluit
jijhad opgesluit
hijhad opgesluit
wijhadden opgesluit
julliehadden opgesluit
zijhadden opgesluit

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opsluiten
jijzult opsluiten
hijzal opsluiten
wijzullen opsluiten
julliezullen opsluiten
zijzullen opsluiten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgesluit hebben
jijzult opgesluit hebben
hijzal opgesluit hebben
wijzullen opgesluit hebben
julliezullen opgesluit hebben
zijzullen opgesluit hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opsluiten
jijzou opsluiten
hijzou opsluiten
wijzouden opsluiten
julliezouden opsluiten
zijzouden opsluiten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgesluit hebben
jijzou opgesluit hebben
hijzou opgesluit hebben
wijzouden opgesluit hebben
julliezouden opgesluit hebben
zijzouden opgesluit hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsluit op

Verbs similar to 'opsluiten'

Translations

  • incarcerate, to lock away in prison
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From op + sluiten.

    Additional Information