opschorten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opschorten

The word "opschorten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opschorten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opschortend
Past participle - Verleden deelwoord: opgeschort

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikschort op
jijschort op
hijschort op
wijschorten op
jullieschorten op
zijschorten op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgeschort
jijhebt opgeschort
hijheeft opgeschort
wijhebben opgeschort
julliehebben opgeschort
zijhebben opgeschort

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikschortte op
jijschortte op
hijschortte op
wijschortten op
jullieschortten op
zijschortten op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgeschort
jijhad opgeschort
hijhad opgeschort
wijhadden opgeschort
julliehadden opgeschort
zijhadden opgeschort

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opschorten
jijzult opschorten
hijzal opschorten
wijzullen opschorten
julliezullen opschorten
zijzullen opschorten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgeschort hebben
jijzult opgeschort hebben
hijzal opgeschort hebben
wijzullen opgeschort hebben
julliezullen opgeschort hebben
zijzullen opgeschort hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opschorten
jijzou opschorten
hijzou opschorten
wijzouden opschorten
julliezouden opschorten
zijzouden opschorten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgeschort hebben
jijzou opgeschort hebben
hijzou opgeschort hebben
wijzouden opgeschort hebben
julliezouden opgeschort hebben
zijzouden opgeschort hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijschort op

Verbs similar to 'opschorten'

Translations

  • postpone, to delay or put off an event
  • prorogue, to suspend a parliamentary session
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From op (“up”) + schorten (“to lack”).

    Additional Information