opborrelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of opborrelen

The word "opborrelen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: opborrelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: opborrelend
Past participle - Verleden deelwoord: opgeborreeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikborreel op
jijborreelt op
hijborreelt op
wijborrelen op
jullieborrelen op
zijborrelen op

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb opgeborreeld
jijhebt opgeborreeld
hijheeft opgeborreeld
wijhebben opgeborreeld
julliehebben opgeborreeld
zijhebben opgeborreeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikborreelde op
jijborreelde op
hijborreelde op
wijborreelden op
jullieborreelden op
zijborreelden op

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad opgeborreeld
jijhad opgeborreeld
hijhad opgeborreeld
wijhadden opgeborreeld
julliehadden opgeborreeld
zijhadden opgeborreeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal opborrelen
jijzult opborrelen
hijzal opborrelen
wijzullen opborrelen
julliezullen opborrelen
zijzullen opborrelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal opgeborreeld hebben
jijzult opgeborreeld hebben
hijzal opgeborreeld hebben
wijzullen opgeborreeld hebben
julliezullen opgeborreeld hebben
zijzullen opgeborreeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou opborrelen
jijzou opborrelen
hijzou opborrelen
wijzouden opborrelen
julliezouden opborrelen
zijzouden opborrelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou opgeborreeld hebben
jijzou opgeborreeld hebben
hijzou opgeborreeld hebben
wijzouden opgeborreeld hebben
julliezouden opgeborreeld hebben
zijzouden opgeborreeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijborreel op

Verbs similar to 'opborrelen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information