Infinitive - Onbepaalde wijs: ontschieten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: ontschietend
Past participle - Verleden deelwoord: ontschiet
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | ontschiet |
| jij | ontschiet |
| hij | ontschiet |
| wij | ontschieten |
| jullie | ontschieten |
| zij | ontschieten |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb ontschiet |
| jij | hebt ontschiet |
| hij | heeft ontschiet |
| wij | hebben ontschiet |
| jullie | hebben ontschiet |
| zij | hebben ontschiet |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | ontschiette |
| jij | ontschiette |
| hij | ontschiette |
| wij | ontschietten |
| jullie | ontschietten |
| zij | ontschietten |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had ontschiet |
| jij | had ontschiet |
| hij | had ontschiet |
| wij | hadden ontschiet |
| jullie | hadden ontschiet |
| zij | hadden ontschiet |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal ontschieten |
| jij | zult ontschieten |
| hij | zal ontschieten |
| wij | zullen ontschieten |
| jullie | zullen ontschieten |
| zij | zullen ontschieten |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal ontschiet hebben |
| jij | zult ontschiet hebben |
| hij | zal ontschiet hebben |
| wij | zullen ontschiet hebben |
| jullie | zullen ontschiet hebben |
| zij | zullen ontschiet hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou ontschieten |
| jij | zou ontschieten |
| hij | zou ontschieten |
| wij | zouden ontschieten |
| jullie | zouden ontschieten |
| zij | zouden ontschieten |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou ontschiet hebben |
| jij | zou ontschiet hebben |
| hij | zou ontschiet hebben |
| wij | zouden ontschiet hebben |
| jullie | zouden ontschiet hebben |
| zij | zouden ontschiet hebben |
| jij | ontschiet |