onen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of onen

The word "onen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: onen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: onend
Past participle - Verleden deelwoord: geond

Cognates

See the 4 cognates of onen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikon
jijont
hijont
wijonen
jullieonen
zijonen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geond
jijhebt geond
hijheeft geond
wijhebben geond
julliehebben geond
zijhebben geond

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikonde
jijonde
hijonde
wijonden
jullieonden
zijonden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geond
jijhad geond
hijhad geond
wijhadden geond
julliehadden geond
zijhadden geond

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal onen
jijzult onen
hijzal onen
wijzullen onen
julliezullen onen
zijzullen onen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geond hebben
jijzult geond hebben
hijzal geond hebben
wijzullen geond hebben
julliezullen geond hebben
zijzullen geond hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou onen
jijzou onen
hijzou onen
wijzouden onen
julliezouden onen
zijzouden onen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geond hebben
jijzou geond hebben
hijzou geond hebben
wijzouden geond hebben
julliezouden geond hebben
zijzouden geond hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijon

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • In het voorjaar onen de schapen, dan brengen zij lammeren ter wereld. [1998 November 16, Nico ter Linden, “Verrassend Stellingwerfs”, in Trouw:]
  • 2010, Gerbrand Bakker, Boven is het stil, Uitgeverij Cossee, 20th ed. (1st ed. from 2006).
  • ‘Waarom?’ vraagt hij.
  • ‘Omdat ze dan gaan onen.’
  • ‘Wat?’
  • ‘Onen. Lammeren.’ ((please add an English translation of this quotation))
  • De eigenaar kan nu veel meer schapen laten onen wanneer het hem pas.^([sic]) (The owner can now let a lot more sheep yean when it suits him.) [2012 January 3, Winnie van Galen, “Eigenwijze lammetjes bij Ilona en Rob”, in Noordhollands Dagblad:]

Etymology

From Middle Dutch *ônen, from Old Dutch *ōnon, from Proto-West Germanic *aunōn, from Proto-Germanic *aunōną. See: Old Dutch '*ōnon', Proto-Germanic '*aunōną'.

Verbs referencing "onen"

English yean, Old English eanian.

Additional Information