nasaleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of nasaleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: nasaleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: nasalerend
Past participle - Verleden deelwoord: nagesaleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iksaleer na
jijsaleert na
hijsaleert na
wijsaleren na
julliesaleren na
zijsaleren na

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb nagesaleerd
jijhebt nagesaleerd
hijheeft nagesaleerd
wijhebben nagesaleerd
julliehebben nagesaleerd
zijhebben nagesaleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iksaleerde na
jijsaleerde na
hijsaleerde na
wijsaleerden na
julliesaleerden na
zijsaleerden na

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad nagesaleerd
jijhad nagesaleerd
hijhad nagesaleerd
wijhadden nagesaleerd
julliehadden nagesaleerd
zijhadden nagesaleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal nasaleren
jijzult nasaleren
hijzal nasaleren
wijzullen nasaleren
julliezullen nasaleren
zijzullen nasaleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal nagesaleerd hebben
jijzult nagesaleerd hebben
hijzal nagesaleerd hebben
wijzullen nagesaleerd hebben
julliezullen nagesaleerd hebben
zijzullen nagesaleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou nasaleren
jijzou nasaleren
hijzou nasaleren
wijzouden nasaleren
julliezouden nasaleren
zijzouden nasaleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou nagesaleerd hebben
jijzou nagesaleerd hebben
hijzou nagesaleerd hebben
wijzouden nagesaleerd hebben
julliezouden nagesaleerd hebben
zijzouden nagesaleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijsaleer na

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From nasaal + -eren. Cf. German nasalieren. See: German, old spelling 'nasalieren'.

Additional Information