malverseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of malverseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: malverseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: malverserend
Past participle - Verleden deelwoord: gemalverseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikmalverseer
jijmalverseert
hijmalverseert
wijmalverseren
julliemalverseren
zijmalverseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gemalverseerd
jijhebt gemalverseerd
hijheeft gemalverseerd
wijhebben gemalverseerd
julliehebben gemalverseerd
zijhebben gemalverseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikmalverseerde
jijmalverseerde
hijmalverseerde
wijmalverseerden
julliemalverseerden
zijmalverseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gemalverseerd
jijhad gemalverseerd
hijhad gemalverseerd
wijhadden gemalverseerd
julliehadden gemalverseerd
zijhadden gemalverseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal malverseren
jijzult malverseren
hijzal malverseren
wijzullen malverseren
julliezullen malverseren
zijzullen malverseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gemalverseerd hebben
jijzult gemalverseerd hebben
hijzal gemalverseerd hebben
wijzullen gemalverseerd hebben
julliezullen gemalverseerd hebben
zijzullen gemalverseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou malverseren
jijzou malverseren
hijzou malverseren
wijzouden malverseren
julliezouden malverseren
zijzouden malverseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gemalverseerd hebben
jijzou gemalverseerd hebben
hijzou gemalverseerd hebben
wijzouden gemalverseerd hebben
julliezouden gemalverseerd hebben
zijzouden gemalverseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijmalverseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From French malverser (“to misbehave”). See: French 'malverser'.

Additional Information