lexicaliseren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of lexicaliseren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: lexicaliseren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: lexicaliserend
Past participle - Verleden deelwoord: gelexicaliseerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

iklexicaliseer
jijlexicaliseert
hijlexicaliseert
wijlexicaliseren
jullielexicaliseren
zijlexicaliseren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gelexicaliseerd
jijhebt gelexicaliseerd
hijheeft gelexicaliseerd
wijhebben gelexicaliseerd
julliehebben gelexicaliseerd
zijhebben gelexicaliseerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

iklexicaliseerde
jijlexicaliseerde
hijlexicaliseerde
wijlexicaliseerden
jullielexicaliseerden
zijlexicaliseerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gelexicaliseerd
jijhad gelexicaliseerd
hijhad gelexicaliseerd
wijhadden gelexicaliseerd
julliehadden gelexicaliseerd
zijhadden gelexicaliseerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal lexicaliseren
jijzult lexicaliseren
hijzal lexicaliseren
wijzullen lexicaliseren
julliezullen lexicaliseren
zijzullen lexicaliseren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gelexicaliseerd hebben
jijzult gelexicaliseerd hebben
hijzal gelexicaliseerd hebben
wijzullen gelexicaliseerd hebben
julliezullen gelexicaliseerd hebben
zijzullen gelexicaliseerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou lexicaliseren
jijzou lexicaliseren
hijzou lexicaliseren
wijzouden lexicaliseren
julliezouden lexicaliseren
zijzouden lexicaliseren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gelexicaliseerd hebben
jijzou gelexicaliseerd hebben
hijzou gelexicaliseerd hebben
wijzouden gelexicaliseerd hebben
julliezouden gelexicaliseerd hebben
zijzouden gelexicaliseerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijlexicaliseer

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information