kwispelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kwispelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kwispelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kwispelend
Past participle - Verleden deelwoord: gekwispeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkwispel
jijkwispelt
hijkwispelt
wijkwispelen
julliekwispelen
zijkwispelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekwispeld
jijhebt gekwispeld
hijheeft gekwispeld
wijhebben gekwispeld
julliehebben gekwispeld
zijhebben gekwispeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkwispelde
jijkwispelde
hijkwispelde
wijkwispelden
julliekwispelden
zijkwispelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekwispeld
jijhad gekwispeld
hijhad gekwispeld
wijhadden gekwispeld
julliehadden gekwispeld
zijhadden gekwispeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kwispelen
jijzult kwispelen
hijzal kwispelen
wijzullen kwispelen
julliezullen kwispelen
zijzullen kwispelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekwispeld hebben
jijzult gekwispeld hebben
hijzal gekwispeld hebben
wijzullen gekwispeld hebben
julliezullen gekwispeld hebben
zijzullen gekwispeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kwispelen
jijzou kwispelen
hijzou kwispelen
wijzouden kwispelen
julliezouden kwispelen
zijzouden kwispelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekwispeld hebben
jijzou gekwispeld hebben
hijzou gekwispeld hebben
wijzouden gekwispeld hebben
julliezouden gekwispeld hebben
zijzouden gekwispeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkwispel

Translations

  • fawn, to wag tail
  • wag, to swing from side to side
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From late Middle Dutch quispelen, from quespel, quispel (“bundle of branches, brush”) (modern Dutch kwispel).

    Additional Information