kwinkeleren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of kwinkeleren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: kwinkeleren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: kwinkelerend
Past participle - Verleden deelwoord: gekwinkeleerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikkwinkeleer
jijkwinkeleert
hijkwinkeleert
wijkwinkeleren
julliekwinkeleren
zijkwinkeleren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gekwinkeleerd
jijhebt gekwinkeleerd
hijheeft gekwinkeleerd
wijhebben gekwinkeleerd
julliehebben gekwinkeleerd
zijhebben gekwinkeleerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikkwinkeleerde
jijkwinkeleerde
hijkwinkeleerde
wijkwinkeleerden
julliekwinkeleerden
zijkwinkeleerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gekwinkeleerd
jijhad gekwinkeleerd
hijhad gekwinkeleerd
wijhadden gekwinkeleerd
julliehadden gekwinkeleerd
zijhadden gekwinkeleerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal kwinkeleren
jijzult kwinkeleren
hijzal kwinkeleren
wijzullen kwinkeleren
julliezullen kwinkeleren
zijzullen kwinkeleren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gekwinkeleerd hebben
jijzult gekwinkeleerd hebben
hijzal gekwinkeleerd hebben
wijzullen gekwinkeleerd hebben
julliezullen gekwinkeleerd hebben
zijzullen gekwinkeleerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou kwinkeleren
jijzou kwinkeleren
hijzou kwinkeleren
wijzouden kwinkeleren
julliezouden kwinkeleren
zijzouden kwinkeleren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gekwinkeleerd hebben
jijzou gekwinkeleerd hebben
hijzou gekwinkeleerd hebben
wijzouden gekwinkeleerd hebben
julliezouden gekwinkeleerd hebben
zijzouden gekwinkeleerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijkwinkeleer

Translations

Synonyms & Antonyms

Synonyms

zingen
fluiten, kwelen

Sample Sentences

Etymology

Verbs referencing "kwinkeleren"

Low Saxon quinkeleren.

Additional Information