invoelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of invoelen

The word "invoelen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: invoelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: invoelend
Past participle - Verleden deelwoord: ingevoeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikvoel in
jijvoelt in
hijvoelt in
wijvoelen in
jullievoelen in
zijvoelen in

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb ingevoeld
jijhebt ingevoeld
hijheeft ingevoeld
wijhebben ingevoeld
julliehebben ingevoeld
zijhebben ingevoeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikvoelde in
jijvoelde in
hijvoelde in
wijvoelden in
jullievoelden in
zijvoelden in

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad ingevoeld
jijhad ingevoeld
hijhad ingevoeld
wijhadden ingevoeld
julliehadden ingevoeld
zijhadden ingevoeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal invoelen
jijzult invoelen
hijzal invoelen
wijzullen invoelen
julliezullen invoelen
zijzullen invoelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal ingevoeld hebben
jijzult ingevoeld hebben
hijzal ingevoeld hebben
wijzullen ingevoeld hebben
julliezullen ingevoeld hebben
zijzullen ingevoeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou invoelen
jijzou invoelen
hijzou invoelen
wijzouden invoelen
julliezouden invoelen
zijzouden invoelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou ingevoeld hebben
jijzou ingevoeld hebben
hijzou ingevoeld hebben
wijzouden ingevoeld hebben
julliezouden ingevoeld hebben
zijzouden ingevoeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijvoel in

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information