garen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of garen

The word "garen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: garen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: garend
Past participle - Verleden deelwoord: gegaard

Cognates

See the 2 cognates of garen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikgaar
jijgaart
hijgaart
wijgaren
julliegaren
zijgaren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gegaard
jijhebt gegaard
hijheeft gegaard
wijhebben gegaard
julliehebben gegaard
zijhebben gegaard

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikgaarde
jijgaarde
hijgaarde
wijgaarden
julliegaarden
zijgaarden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gegaard
jijhad gegaard
hijhad gegaard
wijhadden gegaard
julliehadden gegaard
zijhadden gegaard

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal garen
jijzult garen
hijzal garen
wijzullen garen
julliezullen garen
zijzullen garen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gegaard hebben
jijzult gegaard hebben
hijzal gegaard hebben
wijzullen gegaard hebben
julliezullen gegaard hebben
zijzullen gegaard hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou garen
jijzou garen
hijzou garen
wijzouden garen
julliezouden garen
zijzouden garen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gegaard hebben
jijzou gegaard hebben
hijzou gegaard hebben
wijzouden gegaard hebben
julliezouden gegaard hebben
zijzouden gegaard hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijgaar

Verbs similar to 'garen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From gaar + -en.

Verbs referencing "garen"

English yarn.

Additional Information