flirten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of flirten

The word "flirten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: flirten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: flirtend
Past participle - Verleden deelwoord: geflirt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikflirt
jijflirt
hijflirt
wijflirten
jullieflirten
zijflirten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb geflirt
jijhebt geflirt
hijheeft geflirt
wijhebben geflirt
julliehebben geflirt
zijhebben geflirt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikflirtte
jijflirtte
hijflirtte
wijflirtten
jullieflirtten
zijflirtten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad geflirt
jijhad geflirt
hijhad geflirt
wijhadden geflirt
julliehadden geflirt
zijhadden geflirt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal flirten
jijzult flirten
hijzal flirten
wijzullen flirten
julliezullen flirten
zijzullen flirten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal geflirt hebben
jijzult geflirt hebben
hijzal geflirt hebben
wijzullen geflirt hebben
julliezullen geflirt hebben
zijzullen geflirt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou flirten
jijzou flirten
hijzou flirten
wijzouden flirten
julliezouden flirten
zijzouden flirten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou geflirt hebben
jijzou geflirt hebben
hijzou geflirt hebben
wijzouden geflirt hebben
julliezouden geflirt hebben
zijzouden geflirt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijflirt

Verbs similar to 'flirten'

Translations

  • flirt, to play at courtship
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from English flirt. See: English 'flirt'.

    Additional Information