debriefen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of debriefen

The word "debriefen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: debriefen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: debriefend
Past participle - Verleden deelwoord: gedebrieft

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikdebrief
jijdebrieft
hijdebrieft
wijdebriefen
julliedebriefen
zijdebriefen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gedebrieft
jijhebt gedebrieft
hijheeft gedebrieft
wijhebben gedebrieft
julliehebben gedebrieft
zijhebben gedebrieft

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikdebriefte
jijdebriefte
hijdebriefte
wijdebrieften
julliedebrieften
zijdebrieften

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gedebrieft
jijhad gedebrieft
hijhad gedebrieft
wijhadden gedebrieft
julliehadden gedebrieft
zijhadden gedebrieft

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal debriefen
jijzult debriefen
hijzal debriefen
wijzullen debriefen
julliezullen debriefen
zijzullen debriefen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gedebrieft hebben
jijzult gedebrieft hebben
hijzal gedebrieft hebben
wijzullen gedebrieft hebben
julliezullen gedebrieft hebben
zijzullen gedebrieft hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou debriefen
jijzou debriefen
hijzou debriefen
wijzouden debriefen
julliezouden debriefen
zijzouden debriefen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gedebrieft hebben
jijzou gedebrieft hebben
hijzou gedebrieft hebben
wijzouden gedebrieft hebben
julliezouden gedebrieft hebben
zijzouden gedebrieft hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijdebrief

Verbs similar to 'debriefen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English debrief. See: English 'debrief'.

Additional Information