crashen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of crashen

The word "crashen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: crashen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: crashend
Past participle - Verleden deelwoord: gecrashd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcrash
jijcrasht
hijcrasht
wijcrashen
julliecrashen
zijcrashen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecrashd
jijhebt gecrashd
hijheeft gecrashd
wijhebben gecrashd
julliehebben gecrashd
zijhebben gecrashd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcrashde
jijcrashde
hijcrashde
wijcrashden
julliecrashden
zijcrashden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecrashd
jijhad gecrashd
hijhad gecrashd
wijhadden gecrashd
julliehadden gecrashd
zijhadden gecrashd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal crashen
jijzult crashen
hijzal crashen
wijzullen crashen
julliezullen crashen
zijzullen crashen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecrashd hebben
jijzult gecrashd hebben
hijzal gecrashd hebben
wijzullen gecrashd hebben
julliezullen gecrashd hebben
zijzullen gecrashd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou crashen
jijzou crashen
hijzou crashen
wijzouden crashen
julliezouden crashen
zijzouden crashen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecrashd hebben
jijzou gecrashd hebben
hijzou gecrashd hebben
wijzouden gecrashd hebben
julliezouden gecrashd hebben
zijzouden gecrashd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcrash

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English crash. See: English 'crash'.

Additional Information