carpoolen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of carpoolen

The word "carpoolen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: carpoolen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: carpoolend
Past participle - Verleden deelwoord: gecarpoold

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikcarpool
jijcarpoolt
hijcarpoolt
wijcarpoolen
julliecarpoolen
zijcarpoolen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gecarpoold
jijhebt gecarpoold
hijheeft gecarpoold
wijhebben gecarpoold
julliehebben gecarpoold
zijhebben gecarpoold

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikcarpoolde
jijcarpoolde
hijcarpoolde
wijcarpoolden
julliecarpoolden
zijcarpoolden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gecarpoold
jijhad gecarpoold
hijhad gecarpoold
wijhadden gecarpoold
julliehadden gecarpoold
zijhadden gecarpoold

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal carpoolen
jijzult carpoolen
hijzal carpoolen
wijzullen carpoolen
julliezullen carpoolen
zijzullen carpoolen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gecarpoold hebben
jijzult gecarpoold hebben
hijzal gecarpoold hebben
wijzullen gecarpoold hebben
julliezullen gecarpoold hebben
zijzullen gecarpoold hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou carpoolen
jijzou carpoolen
hijzou carpoolen
wijzouden carpoolen
julliezouden carpoolen
zijzouden carpoolen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gecarpoold hebben
jijzou gecarpoold hebben
hijzou gecarpoold hebben
wijzouden gecarpoold hebben
julliezouden gecarpoold hebben
zijzouden gecarpoold hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijcarpool

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Borrowed from English carpool. See: English 'carpool'.

Additional Information