buurten – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of buurten

The word "buurten" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: buurten
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: buurtend
Past participle - Verleden deelwoord: gebuurt

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbuurt
jijbuurt
hijbuurt
wijbuurten
julliebuurten
zijbuurten

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebuurt
jijhebt gebuurt
hijheeft gebuurt
wijhebben gebuurt
julliehebben gebuurt
zijhebben gebuurt

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbuurtte
jijbuurtte
hijbuurtte
wijbuurtten
julliebuurtten
zijbuurtten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebuurt
jijhad gebuurt
hijhad gebuurt
wijhadden gebuurt
julliehadden gebuurt
zijhadden gebuurt

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal buurten
jijzult buurten
hijzal buurten
wijzullen buurten
julliezullen buurten
zijzullen buurten

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebuurt hebben
jijzult gebuurt hebben
hijzal gebuurt hebben
wijzullen gebuurt hebben
julliezullen gebuurt hebben
zijzullen gebuurt hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou buurten
jijzou buurten
hijzou buurten
wijzouden buurten
julliezouden buurten
zijzouden buurten

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebuurt hebben
jijzou gebuurt hebben
hijzou gebuurt hebben
wijzouden gebuurt hebben
julliezouden gebuurt hebben
zijzouden gebuurt hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbuurt

Verbs similar to 'buurten'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Early 19th century. From buurt.

Additional Information