briesen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of briesen

The word "briesen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: briesen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: briesend
Past participle - Verleden deelwoord: gebriest

Cognates

See the 2 cognates of briesen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbries
jijbriest
hijbriest
wijbriesen
julliebriesen
zijbriesen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebriest
jijhebt gebriest
hijheeft gebriest
wijhebben gebriest
julliehebben gebriest
zijhebben gebriest

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbrieste
jijbrieste
hijbrieste
wijbriesten
julliebriesten
zijbriesten

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebriest
jijhad gebriest
hijhad gebriest
wijhadden gebriest
julliehadden gebriest
zijhadden gebriest

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal briesen
jijzult briesen
hijzal briesen
wijzullen briesen
julliezullen briesen
zijzullen briesen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebriest hebben
jijzult gebriest hebben
hijzal gebriest hebben
wijzullen gebriest hebben
julliezullen gebriest hebben
zijzullen gebriest hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou briesen
jijzou briesen
hijzou briesen
wijzouden briesen
julliezouden briesen
zijzouden briesen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebriest hebben
jijzou gebriest hebben
hijzou gebriest hebben
wijzouden gebriest hebben
julliezouden gebriest hebben
zijzouden gebriest hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbries

Verbs similar to 'briesen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

1. From Middle Dutch brieschen, further etymology unknown, but probably related to other similar sounding words such as brallen (“to brag, boast”), brommen (“to mumble, mutter”), bruisen (“to froth, form bubbles”), brullen (“to cry, roar”). Perhaps ultimately related to Proto-Germanic *brekaną (“to break”).
2. Cognate with Middle Low German brêschen, Middle High German brieschen. See: Proto-Germanic '*brekaną', Middle High German 'brieschen'.

Additional Information