bivakkeren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of bivakkeren

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: bivakkeren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bivakkerend
Past participle - Verleden deelwoord: gebivakkeerd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbivakkeer
jijbivakkeert
hijbivakkeert
wijbivakkeren
julliebivakkeren
zijbivakkeren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gebivakkeerd
jijhebt gebivakkeerd
hijheeft gebivakkeerd
wijhebben gebivakkeerd
julliehebben gebivakkeerd
zijhebben gebivakkeerd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbivakkeerde
jijbivakkeerde
hijbivakkeerde
wijbivakkeerden
julliebivakkeerden
zijbivakkeerden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gebivakkeerd
jijhad gebivakkeerd
hijhad gebivakkeerd
wijhadden gebivakkeerd
julliehadden gebivakkeerd
zijhadden gebivakkeerd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal bivakkeren
jijzult bivakkeren
hijzal bivakkeren
wijzullen bivakkeren
julliezullen bivakkeren
zijzullen bivakkeren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gebivakkeerd hebben
jijzult gebivakkeerd hebben
hijzal gebivakkeerd hebben
wijzullen gebivakkeerd hebben
julliezullen gebivakkeerd hebben
zijzullen gebivakkeerd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou bivakkeren
jijzou bivakkeren
hijzou bivakkeren
wijzouden bivakkeren
julliezouden bivakkeren
zijzouden bivakkeren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gebivakkeerd hebben
jijzou gebivakkeerd hebben
hijzou gebivakkeerd hebben
wijzouden gebivakkeerd hebben
julliezouden gebivakkeerd hebben
zijzouden gebivakkeerd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbivakkeer

Translations

  • bivouac, to set up camp
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    Borrowed from French bivouaquer. Equivalent to bivak + -eren. See: French 'bivouaquer'.

    Additional Information