Infinitive - Onbepaalde wijs: bewroegen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bewroegend
Past participle - Verleden deelwoord: bewroegd
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | bewroeg |
| jij | bewroegt |
| hij | bewroegt |
| wij | bewroegen |
| jullie | bewroegen |
| zij | bewroegen |
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb bewroegd |
| jij | hebt bewroegd |
| hij | heeft bewroegd |
| wij | hebben bewroegd |
| jullie | hebben bewroegd |
| zij | hebben bewroegd |
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | bewroegde |
| jij | bewroegde |
| hij | bewroegde |
| wij | bewroegden |
| jullie | bewroegden |
| zij | bewroegden |
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had bewroegd |
| jij | had bewroegd |
| hij | had bewroegd |
| wij | hadden bewroegd |
| jullie | hadden bewroegd |
| zij | hadden bewroegd |
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal bewroegen |
| jij | zult bewroegen |
| hij | zal bewroegen |
| wij | zullen bewroegen |
| jullie | zullen bewroegen |
| zij | zullen bewroegen |
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal bewroegd hebben |
| jij | zult bewroegd hebben |
| hij | zal bewroegd hebben |
| wij | zullen bewroegd hebben |
| jullie | zullen bewroegd hebben |
| zij | zullen bewroegd hebben |
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou bewroegen |
| jij | zou bewroegen |
| hij | zou bewroegen |
| wij | zouden bewroegen |
| jullie | zouden bewroegen |
| zij | zouden bewroegen |
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou bewroegd hebben |
| jij | zou bewroegd hebben |
| hij | zou bewroegd hebben |
| wij | zouden bewroegd hebben |
| jullie | zouden bewroegd hebben |
| zij | zouden bewroegd hebben |
| jij | bewroeg |