beuren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of beuren

The word "beuren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: beuren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: beurend
Past participle - Verleden deelwoord: beurd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbeur
jijbeurt
hijbeurt
wijbeuren
julliebeuren
zijbeuren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb beurd
jijhebt beurd
hijheeft beurd
wijhebben beurd
julliehebben beurd
zijhebben beurd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbeurde
jijbeurde
hijbeurde
wijbeurden
julliebeurden
zijbeurden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad beurd
jijhad beurd
hijhad beurd
wijhadden beurd
julliehadden beurd
zijhadden beurd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal beuren
jijzult beuren
hijzal beuren
wijzullen beuren
julliezullen beuren
zijzullen beuren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal beurd hebben
jijzult beurd hebben
hijzal beurd hebben
wijzullen beurd hebben
julliezullen beurd hebben
zijzullen beurd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou beuren
jijzou beuren
hijzou beuren
wijzouden beuren
julliezouden beuren
zijzouden beuren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou beurd hebben
jijzou beurd hebben
hijzou beurd hebben
wijzouden beurd hebben
julliezouden beurd hebben
zijzouden beurd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbeur

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

From Middle Dutch bueren, from Old Dutch *burien, from Proto-West Germanic *burjan, from Proto-Germanic *burjaną. See: Middle Dutch 'bueren', Proto-Germanic '*burjaną'.

Additional Information