benadelen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of benadelen

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: benadelen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: benadelend
Past participle - Verleden deelwoord: benadeeld

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbenadeel
jijbenadeelt
hijbenadeelt
wijbenadelen
julliebenadelen
zijbenadelen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb benadeeld
jijhebt benadeeld
hijheeft benadeeld
wijhebben benadeeld
julliehebben benadeeld
zijhebben benadeeld

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbenadeelde
jijbenadeelde
hijbenadeelde
wijbenadeelden
julliebenadeelden
zijbenadeelden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad benadeeld
jijhad benadeeld
hijhad benadeeld
wijhadden benadeeld
julliehadden benadeeld
zijhadden benadeeld

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal benadelen
jijzult benadelen
hijzal benadelen
wijzullen benadelen
julliezullen benadelen
zijzullen benadelen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal benadeeld hebben
jijzult benadeeld hebben
hijzal benadeeld hebben
wijzullen benadeeld hebben
julliezullen benadeeld hebben
zijzullen benadeeld hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou benadelen
jijzou benadelen
hijzou benadelen
wijzouden benadelen
julliezouden benadelen
zijzouden benadelen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou benadeeld hebben
jijzou benadeeld hebben
hijzou benadeeld hebben
wijzouden benadeeld hebben
julliezouden benadeeld hebben
zijzouden benadeeld hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbenadeel

Translations

  • wrong, to treat unjustly
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    • Ik heb nog nooit iemand benadeeld. (I've never wronged anyone.)

    Etymology

    From nadeel + be- -en.

    Additional Information