behagen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of behagen

The word "behagen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: behagen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: behagend
Past participle - Verleden deelwoord: behaagd

Cognates

See the 5 cognates of behagen

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikbehaag
jijbehaagt
hijbehaagt
wijbehagen
julliebehagen
zijbehagen

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb behaagd
jijhebt behaagd
hijheeft behaagd
wijhebben behaagd
julliehebben behaagd
zijhebben behaagd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikbehaagde
jijbehaagde
hijbehaagde
wijbehaagden
julliebehaagden
zijbehaagden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad behaagd
jijhad behaagd
hijhad behaagd
wijhadden behaagd
julliehadden behaagd
zijhadden behaagd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal behagen
jijzult behagen
hijzal behagen
wijzullen behagen
julliezullen behagen
zijzullen behagen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal behaagd hebben
jijzult behaagd hebben
hijzal behaagd hebben
wijzullen behaagd hebben
julliezullen behaagd hebben
zijzullen behaagd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou behagen
jijzou behagen
hijzou behagen
wijzouden behagen
julliezouden behagen
zijzouden behagen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou behaagd hebben
jijzou behaagd hebben
hijzou behaagd hebben
wijzouden behaagd hebben
julliezouden behaagd hebben
zijzouden behaagd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijbehaag

Verbs similar to 'behagen'

Translations

  • delight, to give pleasure to
  • please, to make happy or satisfy
  • pleasure, to give pleasure to
  • Synonyms & Antonyms

    Sample Sentences

    Etymology

    From Middle Dutch behagen, from Old Dutch *bihagon, from Proto-Germanic *bihagōną, from the root *hag-, from Proto-Indo-European *ḱok- (“to be able”), see also Avestan 𐬯𐬀𐬐- (sak-, “to agree”). See: Old Dutch '*bihagon'.

    Verbs referencing "behagen"

    Swedish behaga, German, old spelling behagen, Danish behage, Old Swedish behagha.

    Additional Information