Nominal Forms
Infinitive - Onbepaalde wijs: bedauwen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: bedauwend
Past participle - Verleden deelwoord: bedauwd
Indicative - Aantonende wijs
Present
Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]
| ik | bedauw |
| jij | bedauwt |
| hij | bedauwt |
| wij | bedauwen |
| jullie | bedauwen |
| zij | bedauwen |
Present Perfect
Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]
| ik | heb bedauwd |
| jij | hebt bedauwd |
| hij | heeft bedauwd |
| wij | hebben bedauwd |
| jullie | hebben bedauwd |
| zij | hebben bedauwd |
Past
Onvoltooid verleden tijd [o v t]
| ik | bedauwde |
| jij | bedauwde |
| hij | bedauwde |
| wij | bedauwden |
| jullie | bedauwden |
| zij | bedauwden |
Past Perfect
Voltooid verleden tijd [v v t]
| ik | had bedauwd |
| jij | had bedauwd |
| hij | had bedauwd |
| wij | hadden bedauwd |
| jullie | hadden bedauwd |
| zij | hadden bedauwd |
Future
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]
| ik | zal bedauwen |
| jij | zult bedauwen |
| hij | zal bedauwen |
| wij | zullen bedauwen |
| jullie | zullen bedauwen |
| zij | zullen bedauwen |
Future Perfect
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]
| ik | zal bedauwd hebben |
| jij | zult bedauwd hebben |
| hij | zal bedauwd hebben |
| wij | zullen bedauwd hebben |
| jullie | zullen bedauwd hebben |
| zij | zullen bedauwd hebben |
Conditional
Imperfect
Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]
| ik | zou bedauwen |
| jij | zou bedauwen |
| hij | zou bedauwen |
| wij | zouden bedauwen |
| jullie | zouden bedauwen |
| zij | zouden bedauwen |
Perfect
Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]
| ik | zou bedauwd hebben |
| jij | zou bedauwd hebben |
| hij | zou bedauwd hebben |
| wij | zouden bedauwd hebben |
| jullie | zouden bedauwd hebben |
| zij | zouden bedauwd hebben |
Imperative - Gebiedende wijs
Verbs conjugated like 'bedauwen'
aaien,
aanbaggeren,
aanbeteren,
aanboegen,
aanbreien,
aanbulderen,
aandraaien,
aandrentelen,
aaneenboeien,
aaneenkluisteren,
aaneenkoppelen,
aaneenlijmen,
aaneennaaien,
aaneennagelen,
aaneenschakelen,
aaneensnoeren,
aaneensolderen,
aaneenspijkeren,
aaneenvoegen,
aangieren, etc. (List truncated at 20 verbs)
Verbs similar to 'bedauwen'
Translations
Synonyms & Antonyms
Sample Sentences
-
Zelfs laat men zwart brood door de ochtendnevel „bedauwen” en geeft het aan het vee als voer; het is dan, volgens dit bijgeloof, voor heel het verdere jaar tegen hekserij gevrijwaard. (People even let black bread be „bedewed” by the morning mist and give it to the livestock as fodder; it will then be protected against witchcraft for the rest of the year, according to this superstition.) [1953 May 23, “De Heilige van de Week”, in De Maasbode, Rotterdam, page 6:]
-
Vurige gebeden zullen door Nederland's Katholieken in de week van 25 Mei tot 2 Juni eens extra veel en buitengewoon krachtige^([sic – meaning krachtig]) gestort worden en dan kan het niet anders of God zal ze bedauwen met Zijn zegen en genade en groot zal dan de oogst wezen, welke tot rijpen komt onder die in onze Indiën nog ronddolen in de duisternis van het heidendom of in het halflicht van den Islam. (In the week of May 25 to June 2, fervent prayers will be poured out by Dutch Catholics in abundance and extraordinarily powerfully and then it cannot be otherwise than that God will endow them with His blessing and grace and great will then be the harvest, which comes to ripen among those in our Indies who still wander in the darkness of paganism or in the half-light of Islam.) [1941 May 24, “Kerkelijk Leven”, in Nieuwe Tilburgsche Courant, Tilburg, page 7:]
Etymology
By surface analysis, dauw (“dew”) + be- -en.
Verbs referencing "bedauwen"
English
bedew.
Additional Information