alliëren – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of alliëren

The word "alliëren" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: alliëren
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: alliërend
Past participle - Verleden deelwoord: gealliërd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikalliër
jijalliërt
hijalliërt
wijalliëren
julliealliëren
zijalliëren

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb gealliërd
jijhebt gealliërd
hijheeft gealliërd
wijhebben gealliërd
julliehebben gealliërd
zijhebben gealliërd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikalliërde
jijalliërde
hijalliërde
wijalliërden
julliealliërden
zijalliërden

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad gealliërd
jijhad gealliërd
hijhad gealliërd
wijhadden gealliërd
julliehadden gealliërd
zijhadden gealliërd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal alliëren
jijzult alliëren
hijzal alliëren
wijzullen alliëren
julliezullen alliëren
zijzullen alliëren

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal gealliërd hebben
jijzult gealliërd hebben
hijzal gealliërd hebben
wijzullen gealliërd hebben
julliezullen gealliërd hebben
zijzullen gealliërd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou alliëren
jijzou alliëren
hijzou alliëren
wijzouden alliëren
julliezouden alliëren
zijzouden alliëren

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou gealliërd hebben
jijzou gealliërd hebben
hijzou gealliërd hebben
wijzouden gealliërd hebben
julliezouden gealliërd hebben
zijzouden gealliërd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijalliër

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

  • Het land allieerde zich met zijn buurlanden. (The country allied itself with its neighboring countries.)

Etymology

Borrowed from French allier. See: French 'allier'.

Additional Information