afreizen – Dutch verb conjugation

Dutch verb forms of afreizen

The word "afreizen" is not included in the database, but Verbix uses automation to display the inflected forms.

Nominal Forms

Infinitive - Onbepaalde wijs: afreizen
Present participle - Tegenwoordig deelwoord: afreizend
Past participle - Verleden deelwoord: afgereisd

Cognates

-

Indicative - Aantonende wijs

Present

Onvoltooid tegenwoordige tijd [o t t]

ikreis af
jijreist af
hijreist af
wijreizen af
julliereizen af
zijreizen af

Present Perfect

Voltooid tegenwoordige tijd [v t t]

ikheb afgereisd
jijhebt afgereisd
hijheeft afgereisd
wijhebben afgereisd
julliehebben afgereisd
zijhebben afgereisd

Past

Onvoltooid verleden tijd [o v t]

ikreisde af
jijreisde af
hijreisde af
wijreisden af
julliereisden af
zijreisden af

Past Perfect

Voltooid verleden tijd [v v t]

ikhad afgereisd
jijhad afgereisd
hijhad afgereisd
wijhadden afgereisd
julliehadden afgereisd
zijhadden afgereisd

Future

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd [o t t t]

ikzal afreizen
jijzult afreizen
hijzal afreizen
wijzullen afreizen
julliezullen afreizen
zijzullen afreizen

Future Perfect

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd [v t t t]

ikzal afgereisd hebben
jijzult afgereisd hebben
hijzal afgereisd hebben
wijzullen afgereisd hebben
julliezullen afgereisd hebben
zijzullen afgereisd hebben

Conditional

Imperfect

Onvoltooid verleden toekomende tijd [o v t t]

ikzou afreizen
jijzou afreizen
hijzou afreizen
wijzouden afreizen
julliezouden afreizen
zijzouden afreizen

Perfect

Voltooid verleden toekomende tijd [v v t t]

ikzou afgereisd hebben
jijzou afgereisd hebben
hijzou afgereisd hebben
wijzouden afgereisd hebben
julliezouden afgereisd hebben
zijzouden afgereisd hebben

Imperative - Gebiedende wijs

jijreis af

Verbs conjugated like 'afreizen'

glanzen, grenzen, niezen, omhelzen, reizen, veinzen, verhuizen,

Verbs similar to 'afreizen'

Translations

Synonyms & Antonyms

Sample Sentences

Etymology

Additional Information