beschoren – Dutch adjective declension

Dutch adjective forms of beschoren

Adjective: beschoren

Indefinite Forms

masc. & fem.beschoren
neuterbeschoren

Comparison Forms

Positivebeschoren

Sample Sentences

  • Dit geluk was hem evenwel niet beschoren. (However, fate had not granted him this blessing.)

Adjectives inflected like beschoren

inbegrepen, senang, onaangesproken, bestorven, single, bedoven, benigne, bezopen, granieten, smaragden, amethisten, veertiende, veertigste, lichaamseigen, badstof, apatride, zinken, zijden, Groninger, blikken, etc. (List truncated at 20 adjectives)

Etymology

From bescheren.

Translations