Adjective: alleen
Indefinite Forms
| masc. & fem. | allene |
| neuter | alleen |
Comparison Forms
| Positive | allene |
| Comparative | allenere |
| Superlative | alleenste |
Sample Sentences
-
Hij ging alleen naar de filmzaal . (He went to the cinema alone.)
-
Na een drukke dag geniet ze van een momentje alleen. (After a busy day, she enjoys a moment alone.)
-
Na de verhuizing voelde ze zich allener dan ooit. (After the move, she felt more alone than ever.)
-
Na de verhuizing voelde ze zich alleen en verdrietig. (After the move, she felt lonely and sad.)
-
Hij is altijd alleen en heeft weinig sociale contacten. (He is always lonely and has few social contacts.)
-
Oudere mensen kunnen zich soms alleen voelen, vooral als ze ver van hun familie wonen. (Elderly people can sometimes feel lonely, especially if they live far from their family.)
Adjectives inflected like alleen
sereen,
iatrogeen,
hypoallergeen,
obsceen,
mutageen,
algemeen,
homogeen,
alleen,
gemeen,
heterogeen,
schizofreen,
Etymology
From Middle Dutch allêne, from Old Dutch *allēno, from al + ēno. Morphologically equivalent to modern al + een.
Translations