gemeengoed – Dutch noun declension

Dutch noun forms of gemeengoed

Noun: gemeengoed
Gender: Neuter Hyphenation:
Sg.gemeengoed
Pl.gemeengoederen

Sample Sentences

  • Want aan te nemen, dat deze legenden gemeengoed der Arabieren en Joden zouden geweest zijn, verbiedt reeds de omstandigheid, dat Mohammed ze zijnen landgenooten mededeelt als iets nieuws, dat hem van Godswege geopenbaard was, terwijl zij hem beschuldigden, dat hij zich door vreemden liet onderrigten. [1845, “Mohammed en de Koran.”, in De Gids, vol. 9, 307:]

Etymology

Early 19th century. From gemeen + goed, calque of German Gemeingut but perhaps also influenced by earlier use of gemeen goed as a set phrase. See: German Nouns 'Gemeingut'.

Translations