Noun: echtgenoot
Gender: Masculine
Hyphenation:
| Sg. | echtgenoot |
| Pl. | echtgenoten |
Sample Sentences
-
Mijn echtgenoot en ik vieren binnenkort ons 25-jarig huwelijksjubileum. (My husband and I will soon celebrate our 25th wedding anniversary.)
-
Ze is al veertig jaar gelukkig getrouwd met haar echtgenoot. (She has been happily married to her husband for forty years.)
-
De rechten en plichten van een echtgenoot zijn wettelijk vastgelegd. (The rights and duties of a spouse are legally defined.)
Nouns inflected like echtgenoot
schoot,
palefroot,
apennoot,
hotemetoot,
grote franjepoot,
rijksgenoot,
windstoot,
arekanoot,
celgenoot,
aanstoot,
zeloot,
dakgoot,
soortgenoot,
echtgenoot,
sibbegenoot,
galjoot,
braaknoot,
pakjesboot,
despoot,
tweepoot, etc. (List truncated at 20 nouns)
Etymology
From echt (“wedlock”) + genoot (“partner”).
Translations